25-02-2015

Over Motie en minister

Minister is defined as opposite of the Magister and is directly related to the Magister as his servant.
Zie Over docters en doctoraal
Zie Over psychiater en patiënten 
Zie Over Simon en Simonie
minister zn. ‘lid van de regering’
Mnl. minister ‘voogd of geestelijk bestuurder van een klooster’ in vp dien ministren & dien broedren van der triniteid van hontscote ‘aan de bestuurder en de broeders van de Triniteit (een klooster) te Hondschote’ [1269; VMNW], ‘dienaar Gods, priester’ in belyen ... hare sonden den ministren Goids ‘hun zonden opbiechten aan de dienaar Gods’ [1460-80; MNW-P]; vnnl. ministers van justitie ‘gerechtelijke ambtenaren’ [1558; Stall.], ‘protestantse voorganger’ in hoor 't noch dagelijcx den Ministeren predicken [1586; WNT], ‘iemand die een post bekleedt bij het openbaar gezag’ in hunne dienaers, ministers ende officieren [1586; WNT], ‘vertegenwoordiger van een staat bij een vreemde mogendheid’ in Ambassadeurs ... of andere Ministers van Coningen, Princen, Republijcken [1651; WNT]; nnl. dan minister ‘eerste staatsdienaar, hoofd van departement’ in eersten minister ‘hoogste minister’ [1714; WNT], minister van buitenlandsche zaken [1806; WNT].
In de betekenis ‘lid van de regering, hoge staatsdienaar’ ontleend aan Frans ministre ‘raadsheer van een koning’ [1506; TLF], een betekenis die ontwikkeld is uit ‘dienaar van een koning’ [1174-76; TLF], eerder al ‘ondergeschikt medewerker, dienaar’ [1100-50; TLF], dat teruggaat op Latijn minister (genitief ministrī), ‘dienaar, bediende; assistent van een priester’, letterlijk ‘mindere’, een afleiding van minus ‘minder, kleiner’, zie → miniem. Het Latijnse woord stond in tegenstelling met, en is wrsch. gevormd naar analogie van magister ‘meerdere, meester’, zie → meester. In de verdwenen betekenis ‘dienaar Gods’ wrsch. rechtstreeks ontleend aan christelijk Latijn minister ‘dienaar Gods, dienaar van Gods woord’, verkorting van bijv. verbi divini minister ‘dienaar van het goddelijk woord’, een bijzondere toepassing van klassiek Latijn minister ‘dienaar’.

motie zn. ‘voorstel dat niet op de agenda staat’
Nnl. motie ‘extra voorstel in een vergadering’ in de Nationaale Vergadering ... de motie ... [1793; Vad.lett., 46], in het Engels parlement meer dan één vruchtelooze motie [1797; Vad.lett., 59], in vaste verbindingen als motie van wantrouwen, motie van afkeuring, bijv. in de Kamer heeft door hare motie van afkeuring het kabinet omvergeworpen [1866; WNT], motie van orde ‘voorstel betreffende de vergaderorde’ [1866; WNT].
Ontleend, wrsch. deels via Frans motion ‘voorstel, met name niet geagendeerd voorstel, in de politiek’ [1775; TLF], aan Engels motion ‘voorstel in een overleg-vergadering’ [1579-80; OED], ouder al mocioun ‘voorstel, suggestie, beweging in een bepaalde richting’ [1412; OED], en ‘beweging’ [1412-20; OED]; het Engelse woord is zelf weer ontleend aan Oudfrans motion ‘beweging’ [ca. 1225; TLF], dat een geleerde ontlening is aan Latijn mōtiō (genitief -ōnis) ‘beweging’, een afleiding van movēre ‘bewegen, doen bewegen’, verl.deelw. mōtus, zie → motor. Zie ook → commotie, → emotie, → promoveren.

[T-L : mocïon ; GD : motion ; FEW VI-3, 161a : motio ; TLF XI, 1118a : motion]
A. - "Impulsion, mouvement"
B. - "Impulsion ou incitation qui pousse un individu à agir de telle ou telle façon"
1. "Impulsion qui pousse un individu à agir de telle ou telle façon"
2. "Impulsion qui vient d'autrui, incitation, instigation"
C. - "Agitation collective, soulèvement, émeute"


Étymol. et Hist. 1. Ca 1150 muete «groupe de chiens courants dressés pour la chasse» (Charroi de Nîmes, éd. D. McMillan, 27); ca 1200 meute (Aiol, éd. J. Normand et G. Raynaud, 9332); 2. 1819 «bande, troupe de gens acharnés à la poursuite, à la perte de quelqu'un» (Boiste). D'un lat. movita, fém. subst. de *movitus, lat. class. motus, part. passé, refait sur le rad. de movere «mouvoir» (cf. lat. médiév. movita «soulèvement, expédition», v. Du Cange, a. it. motta «mouvement; éboulement d'une masse de terre», a. esp. muebda «mouvement; foule»). Du xiieau xvies., meute a aussi signifié «soulèvement, émeute, expédition» (cf. émeute, mutin).  

Het is de Minister, de mindere van de Magister, in dienst genomen om door middel van Motie de Meute te bewegen.  De Minister weegt op de beweging van de meute door de motor van emotie, commotie en promotie.  Hij bestuurt de maatschappelijke beweging van sociale groepen en beweegt  het individu.  Hij zal om te bewegen druk uitoefenen, spreekwoordelijk een drukkie maken.  Een Minister ageert de Impulsie, aandrijving, aanhoudende beweging.   Dit is dan ook om het individu druk te houden.  De trend van de drukte, het druk zijn is bon-temps.

De Promotie de opwaartse beweging: het bevorderen en bevoordelen,  van individuen of groepen die de richting van de Motie gunstig zijn.  Bij de bevoordeelden zijn er de benadeelden want de laatsten worden gedefinieerd vanuit het voordeel van de bevoordeelden  (Zie Over Slachtoffers en Benadeelden) Ook de Motie van een bepaald handelsproduct, de Partij die streeft naar de macht van de sociale beweging.   In die zin ook economische impulsen, om de marktbeweging opwaarts te stimuleren.

Étymol. et Hist. A. 1. Ca 1350 «accession, nomination à un grade plus élevé, élévation à une dignité» (Gilles Li Muisis, Poésies, éd. Kervyn de Lettenhove, p.303); 2. av. 1680 «élévation de plusieurs personnes à un même grade, à une même dignité» (La Rochefoucauld, Mém., OEuvres, éd. D. L. Gilbert et J. Gourdault, t.2, p.385); 3. 1847 «ensemble des candidats admis la même année à une grande école» (Lacord., op. cit., p.13); 4. 1941 «élévation dans la hiérarchie sociale des membres d'une classe sociale inférieure» promotion sociale (L'OEuvre, 1erfévr.). B. 1959 (Fiches du Comité d'ét. des termes techn. fr., Sciences, no4, nov.-déc., p.85); 1960 [vers 1930 d'apr. P. Nepveu-Nivelle] promotion des ventes (P. Nepveu-Nivelle, art. Promotion des ventes, in Manuel du chef d'entreprise, p.810 ds Rey-Gagnon Anglic.). A empr. au lat. promotio, -onis au sens 1, de promovere (v. promouvoir). B empr. à l'anglo-amér. promotion «opération d'incitation à la vente d'un produit» (1925 ds NED Suppl.2) spécialisation d'empl. de l'angl. promotion empr. au fr. et att. dès 1483 au sens de «incitation, aide, encouragement, soutien» (NED; cf. aussi en m. fr. E. Deschamps, OEuvres, IX, 27 ds T.-L.).

De Emotie, de inwaartse beweging:   De troebele moraal van de Meute is het onderwerp van de Minister.  Hij moet de Meute in goede orde besturen of er is kans op ontsporingen.  Hij heeft hier in essentie twee krachten tot zijn beschikking:  Om de groep te bewegen en het groepsgevoel te versterken kan hij de band onderling stimuleren, beweging intrinsiek versterken, of excentriek door te simuleren,

(bijvoorbeeld begroting opstellen en bijstellen, expertises ordoneren, rapporten raadplegen, dreigingsniveau bepalen, campagne voeren, maar ook crisperen of bevlogen, ongegronde uitspraken doen over een 'taxshift' en propaganda verspreiden hier en daar, door te sensibiliseren. (~ de zintuigen beïnvloeden, overgevoelig maken)

Étymol. et Hist. 1. Av. 1475 « trouble moral » (G. Chastellain, Chronique, éd. Kervyn de Lettenhove, Œuvres, t. 4, p. 224); 2. 1512 « troubles, mouvements (d'une population ou lors d'une guerre) » (J. Lemaire de Belges, Illustrations de Gaule et Singularitez de Troyes, Livre II, éd. J. Stecher, Œuvres, t. 2, p. 107). Dér. de émouvoir* d'apr. l'a. fr. et m. fr. motion « mouvement » (ca 1223, G. de Coincy, Mir. Vierge, éd. V.-F. Kœnig, II, Mir. 21, 307) empr. au lat. motio « mouvement » et « trouble, frisson (de fièvre) ».
De commotie, de Schok, het tegen de borst stuiten.  Het 'Shock and Awe'-effect.  Als de minister op weerstand en erger, op punt van een mogelijke stagnatie komt; kan hij door middel van een stuiting de meute bewegen.  De Stuiting brengt de Meute in een tijdelijke verdoving en beweegt deze verder zonder te beseffen waarnaartoe.  Wanneer het effect is uitgewerkt is de meute zover dat er geen weg terug is en zal deze de Motie moeten aanvaarden.
Étymol. et Hist. 1. a) Ca 1120 commotium « secousse, ébranlement physique [ici action de trébucher, faux pas] » (Psautier d'Oxford, 65, 8 ds T.-L.); b) xves. commocion du cerveau (Jard. de santé, fo148 ds Gdf. Compl.); c) 1753 « secousse due à une décharge électrique » (Encyclop. t. 3); 2. 1130-40 comocion « ébranlement moral, émotion » (Wace, Conception Nostre Dame, éd. W. R. Ashford, 1077); 3. 1319-42 commocion (du peuple) « soulèvement » (Renart le Contrefait, éd. Raynaud, t. 1, p. 292), rare, attesté ds la lexicogr. dep. Ac. 1798. Empr. au lat. class. commotio proprement « ébranlement, secousse » et au fig. « agitation de l'âme, émotion, perturbation ».


De minister is een agoog van de motio en hij agiteert de meute.  Bij beweging is er het Wegenzijn gewicht in de schaal werpen en de Weg (latijn Via), de methode, de manier waarop afgesproken met de regering in het regeerakkoord waaraan hij gebonden is. (Zie latijn apo en overstijgend grieks ἀπό).  Het akkoord in bredere muzikale zin een harmonische samenklank in een compositie, een georganiseerde beweging van klank en overstijgend in de Kunst in het algemeen.  Hier in enge zin de overeengekomen Moties in het Regeerakkoord.

mōtĭo , ōnis, f. moveo,
I. a moving, motion; a removing (class.).
I. Lit.: “principium motionis,Cic. Fat. 19, 43: “corporum,id. N. D. 2, 58, 145: “ab ordine motio,a removing, Dig. 47, 20, 3.—Abstr., motion: “ipsum animum ... quasi quamdam continuatam motionem,Cic. Tusc. 1, 10, 22.—
B. In partic., in medicine, an ague-fit, Cels. 3, 5, 28.—
II. Trop.: motiones animi, emotions or affections of the soul (old reading), Cic. Ac. 1, 8; better, notionibus.

Het woord minister ontleend zijn betekenis aan Magister en ontleedt dus van de Magis zijn recht om te ageren, gebonden aan het Akkoord. Hij is in feite, een Agitator.

De krokodillen van de Wetstraat


Geen opmerkingen:

Een reactie posten